Blog

Woorden als hamers

Ik leerde haar kennen op mijn zesde. We gingen naar dezelfde school. Sommige jaren zat ze in mijn klas, andere jaren niet.
Het meisje, dat ik hier Krista zal noemen, was een kind dat net iets minder troeven meegekregen had dan een doorsneekind. Vooral in de klas bleek dat problematisch, want elke dag moest Krista ervaren hoe de leerstof haar petje te boven ging. Vaak had ze als enige, ook nadat de juf de leerstof drie keer herhaald had, nog geen idee waarover het ging. Ik had te doen met het meisje, en om de haverklap zag ik na een of andere uitleg van de juf de paniek in haar ogen, de angst om nog maar eens te moeten toegeven dat ze niet kon volgen.
Op een dag was ik thuisgekomen na school en had ik mijn huiswerk bijna afgewerkt toen de telefoon ging. Krista’s moeder hing aan de lijn. Ze had mijn nummer opgezocht en vroeg me of ik even kon langsgaan.
‘Krista weet niet hoe ze aan haar huiswerk moet beginnen’, zei ze op een toon die me even achteruit deed deinzen. Haar stem klonk hard. ‘Ze verstaat er weer niets van.’
Ik liet mijn boeken liggen en vertrok naar Krista’s huis, waar ik nooit eerder geweest was, maar waar ik wist dat het meisje woonde. Ik belde aan.
Het duurde geen twee seconden voor de deur opengegooid werd en ik recht in de ogen van Krista’s moeder keek. Ze leek boos, woedend zelfs, en duwde me bijna hardhandig naar binnen in de woonkamer, een donkere trieste ruimte met ouderwetse meubels en een geur die aan muffe kleren deed denken. Eerst kon ik Krista niet onderscheiden in het duister, dan zag ik de schokkende schouders, het meisje dat als een hoopje ellende aan de tafel ineengedoken zat.
‘Zo,’ zei haar moeder tegen me. ‘Leg jij nu maar eens aan dat dom wicht uit hoe ze die taak moet maken. Ze kan nooit iets, die dochter van mij. Hoe ik zo’n uilskuiken op de wereld heb kunnen zetten, daar begrijp ik niets van.’
Ze duwde me voor zich uit tot ik naast Krista stond.
Het meisje zat onbedaarlijk te huilen. De adem van haar moeder was voelbaar in mijn nek. Alles om me heen ademde triestheid, hardheid, liefdeloosheid. Ik had zin om ver weg te lopen, weg van de donkere sfeer waarin ik gevangen zat, weg van mijn eigen ongemak en mijn trillende benen en weg van die moeder die geen enkel mededogen vertoonde voor haar dochter.
Maar ik ging zitten, sloeg het schrift open dat voor ons lag en maakte samen met Krista de taak. De dag erna haalde ze goeie punten. Ze was trots toen de juf haar feliciteerde en straalde als nooit tevoren.
Ik zweeg en genoot van haar kortstondige geluk.
Na het zesde leerjaar gingen onze wegen ietwat uiteen. Krista ging naar de beroepsafdeling van de middelbare school, ik zat aan de overkant van de straat in het andere gebouw. Eén keer zag ik haar nog terug. We hadden examen in dezelfde studiezaal. Nadat we verzameld hadden voor de deur van de zaal werden de klassen een voor een naar binnen geroepen. Met luide stem riep een leraar het tweede Latijn naar binnen, daarna een aantal andere klassen en helemaal op het eind leek zijn stem de hoogte in te schieten toen hij de tweede beroepsklas naar binnen riep. Ik zag Krista met gebogen hoofd als laatste de zaal binnenstrompelen. Haar wangen vuurrood. Ze kreeg een plek toegewezen enkele banken voor me. De volgende twee uur zag ik hoe ze heen en weer wriemelde op haar stoel, hoe ze met het uiteinde van haar balpen klopte op haar blad en krabde in haar haar.
Na het examen kwam ze naar me toe.
‘Jij doet dus Latijn. Amai. Jij kan alles. Ik kan niets.’
Ik hoorde de stem van haar moeder in haar woorden weerklinken en voelde weer hoe diep de sfeer in dat trieste huis op me ingewerkt had, een sfeer waarin Krista elke dag vertoefde.
‘Weet je, ik durfde nauwelijks naar binnen te komen daarnet’, zei ze. Haar stem klonk broos, kwetsbaar, alsof iets in haar afgebrokkeld was. Haar schouders hingen naar voor. ‘Iedereen heeft weer gezien hoe dom ik ben. De tweede beroepsklas. Ze hebben het allemaal gehoord.’
Ik luisterde en huiverde, voelde iets als schaamte, wist niet wat te zeggen.
Nu, al die jaren later weet ik dat natuurlijk wel. Maar het is veel te laat.
Nu kan ik alleen maar hopen dat Krista ooit op iemand gebotst is die haar uit die put omhoog heeft getrokken, daar waar ze ooit diep in was geduwd. Ik kan alleen maar hopen dat ze haar eigen talenten op een dag heeft ontdekt en dat ze die ten volle heeft kunnen ontwikkelen in het geloof dat ook zij een waardevol mens is.
Af en toe kom ik haar moeder eens tegen. Dan hoor ik ze in gedachten allemaal opnieuw, die vreselijke woorden. Ze moeten als een hamer op Krista’s hoofd zijn neergekomen, elke dag opnieuw.
Soms slaan woorden diepere wonden dan enig ander wapen kan doen. Ze hakken in op die ene plek binnenin waar een mens een mens is. Ze ontnemen hem zichzelf.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPin on Pinterest
Nog geen reacties

Geef een reactie