Blog

Straatbewakers met tijd

Van sommige huizen in mijn buurt weet ik heel goed wie er woont. Ik ken de naam van de bewoners niet, ik weet niet wie ze zijn, maar ik weet dat ze er wonen. En dat ze tijd hebben. Een zee van tijd. Het zijn de mannen die vanaf acht uur ’s ochtends in de deuropening van hun woning post vatten om er de rest van de dag als bevroren te blijven staan. Twaalf uur lang houden ze zich onledig met het observeren van langsfietsende auteurs, dwarrelende herfstbladeren in de goot, voorbij zoevende auto’s en buurmannen die hun hinkende hond uitlaten.
Doorgaans fiets ik op een doorsneedinsdagochtend als een razende langs hen heen, recht op mijn doel af. Ik storm de supermarkt binnen, trek een spurtje tussen de rekken, zwier de nodige levensmiddelen in mijn winkelkarretje, betaal aan de kassa en cross terug naar huis in vijfde. Het moet snel gaan, want binnen het uur wil ik nog een aantal lessen op de conjugaisons voorbereiden, mijn huis opruimen, een wasmachine vullen, eten maken en, als het even kan, een zin of drie schrijven, voor mijn jongste zoon weer van school komt om te eten en ik zelf nog enkele uren les moet gaan geven.
Veel tijd om stil te staan bij mijn omgeving blijft er meestal niet over wanneer ik zo door de straten scheur, en het gebeurt dan ook vaker dan me lief is dat mensen me achteraf vragen waarom ik hen straal negeerde. Maar ik zie hen niet, mijn hoofd zit te vol. Er kan niets meer bij.
En toch zie ik die onbekende mannen in de deuropening altijd wél staan, de straatbewakers die met volle aandacht de straatperikelen observeren. Ondanks de tientallen gedachten die door mijn hoofd flitsen over al wat ik nog moet doen en al wat ik niet mag vergeten, zie ik hen elke keer staan, omdat ze het goud belichamen dat ik meen niet te hebben. Sommigen hangen half schuin tegen de deurpost, anderen staan fier rechtop met de handen achter de rug. Maar één ding hebben ze gemeen: ze hebben minuten, uren en dagen in overvloed, alle tijd die ik tekort kom. En telkens ik hen zie, moet ik me er van weerhouden halt te houden bij die mannen. Dan wil ik hen vragen of ik enkele uren van hen mag kopen, of ze me die niet tegen een eerlijke vergoeding willen afstaan aangezien ze er zelf duidelijk teveel hebben. Ik zou er zo veel mee willen doen.
Maar natuurlijk hou ik niet echt halt. Daarvoor heb ik geen tijd. Ik rij verder naar huis, probeer daar in minder dan een uur eten te maken, een wasmachine vol te stoppen, enkele lessen voor te bereiden en drie zinnen te schrijven. En dan spring ik terug op mijn fiets om tien kilometer verderop de conjugaisons voor de driehonderdste keer uit te leggen, voel ik mijn hart tekeer gaan als een gek en vraag ik me af waarom ik op die manier verder ga, hoe lang mijn lijf dit nog volhoudt, hoeveel langer ik de alarmsignalen nog zal kunnen negeren, die steeds terugkerende migraine en die totaal verkrampte rugspieren die me elke ochtend veel te vroeg wekken. Ik vraag me af waarom ik steeds het gevoel heb dat ik vijf dingen tegelijk moet doen, waarom ik ook in het weekend altijd maar verder blijf werken, waarom ik niet minder eisen stel aan mezelf, waarom die dure cursus mindfulness niets uitgehaald heeft, of het misschien toch niet waar kan zijn dat tijd een gegeven is dat je moet maken, en of ik niet een dag zou willen ruilen met zo’n man of vrouw in de deur. Een hele dag alleen maar staan kijken naar langsfietsende auteurs, dwarrelende herfstbladeren in de goot, voorbij zoevende auto’s en buurmannen die hun hinkende hond uitlaten. Ik zou het graag eens willen doen, denk ik dan heel even. Maar meteen daarna weet ik hoe dat zou gaan. Na vijf minuten zou ik snel mijn huis weer in lopen. Want ik heb zoveel te doen, er is zoveel dat nog moet gebeuren. Misschien is druk doen wel een verslaving. Ik geraak er in elk geval niet van af.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPin on Pinterest
Nog geen reacties

Geef een reactie