Blog

Kweken als de konijnen in naam van God

Toen ik de hoogste gezagsdrager van onze Kerk afgelopen week op tv hoorde verklaren dat we als katholieken niet moesten kweken als de konijnen spoelde ik zijn woorden vol ongeloof even terug in mijn hoofd. Had ik dat goed gehoord? Had de vleesgeworden katholieke moraal in eigen persoon, de beschermheer en bodyguard van Christus himself, zich echt in dergelijke populistische termen uitgedrukt? Kregen we als katholieken dan eindelijk ook een vrijgeleide om vanaf nu beschermhoesjes te gebruiken of hormonen te slikken die de teller onzer kinderen op twee tot drie maximum konden fixeren zonder in zonde te vervallen?

Nee, toch niet. Lang duurde de illusie niet. Want meteen na de verwijzing naar het gedrag van de langoren (waar konijnenkwekers all over the world volgens onze media meteen aanstoot aan genomen hebben) had de verheven man het alweer over onthouding en bleef alle anticonceptie op de lijst van verboden middelen staan, zoals het altijd geweest was.

Ik schudde het hoofd om zoveel halsstarrigheid, keek de rest van het journaal uit en bedacht dat God en zijn assistenten al decennialang geen rol van betekenis meer spelen in onze contreien en dat dus niemand wakker zou liggen van deze woorden. Ja, anticonceptie is voor de Kerk verboden. Et alors? Geen enkel jong mens in mijn omgeving worstelt nog met die onstuitbare voortplantingsdrift die onze grootouders met acht nakomelingen opscheepte omdat meneer pastoor het verbod op anticonceptie predikte op zondag. Bij elk doopsel aaide de pastoor de boreling even over de bol, keek hij de tienkoppige familie hoofdschuddend na, prees zichzelf gelukkig om zijn verplichte celibaat en legde zijn huishoudster bij thuiskomst languit op de keukentafel na een blik op haar menstruele kalender.

Nee, wat de paus zegt raakt onze koude kleren niet meer. Want onze God is al een tijdje op sterven na dood.

Ónze God wel. Maar niet die van onze islamitische medemens.

Dat werd me pijnlijk duidelijk toen ik op een dag, een paar jaar geleden, aan een moslimleerling in alle vertrouwelijkheid vroeg: ‘Zeg eens eerlijk. Speel jij dan nooit stiekem toch een koek naar binnen tijdens de ramadan? Als je eens echt veel honger hebt en als niemand het ziet?’

De jongen keek me aan alsof ik een kind was dat nog niets van de wereld snapte.

‘De ramadan is iets tussen mij en Allah, Mevrouw. Allah ziet alles.’

Nee, ik had er echt niets van begrepen. Dat besefte ik zelf terwijl ik het ongeloof om zoveel domheid in de ogen van de jongen kon lezen, een blik die ook een zweem van medelijden in zich droeg. En meteen kwam ook het besef dat wij, als moderne katholieken die het kerkgebouw alleen nog occasioneel betreden voor het huwelijk van een nicht of de begrafenis van een grootmoeder, soms geen benul meer hebben wat echt geloof met een mens doet.

Het is dan ook aan die confrontatie dat ik vaak denk wanneer ik de clash zie tussen het alom geclaimde recht op vrije meningsuiting na de gruwel bij Charlie Hebdo aan de ene kant en de roep om respect voor de profeet Mohammed aan de andere kant. Toen Urbanus in de jaren zeventig zong over een ‘bakske vol met stro’, toen hij het daarin had over Jezus die zichzelf een verse ‘pisdoek’ aantrok, die in zijn sportwagen stapte en ervandoor reed met de woorden ‘Al wie dat mij volgen wil, zal wreed hard moeten lopen’, stonden veel katholieken ook op hun achterste poten, steigerden brave huisvaders eveneens om het levensgrote gebrek aan respect voor onze eigen profeet. In die tijd speelde godsdienst ook onder katholieken in de Lage Landen namelijk nog een prominente rol.

En net daarom vind ik het al te makkelijk om met luide stem te verkondigen dat we met elke godsdienst ongegeneerd moeten kunnen spotten. Wanneer religie in ons eigen leven geen rol van betekenis meer speelt, ervaren we ook de gevoeligheid niet meer die een belediging van ons grote voorbeeld teweeg kan brengen.

Hoe ver kunnen we gaan in de spot, in het belachelijk maken van een andere godsdienst? Geven we echt onze zo gekoesterde vrijheid op als we uit respect voor de gevoeligheid van onze medemens onze mening soms wat temperen, ze omzichtiger verpakken? Zijn er ook aan de vrije meningsuiting geen grenzen? De grenzen van het fatsoen? De wil om in vrede samen te leven met iedereen rondom ons?

Ik bekijk het beeld van onze goedlachse paus, de man die zijn gezag getaand weet en waar we als half-katholieken zonder gêne eens zelf mee spotten, en ik vraag het me af.

 

 

 

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPin on Pinterest
Nog geen reacties

Geef een reactie