Blog

In de naam van de stilte

‘Ik word gek als het stil is,’ zegt ze. ‘Wanneer iemand de radio in huis uit zet, loop ik gewoon tegen de muren.’
In de zomer gaat ze naar drukke vakantieoorden, naar hotels waar honderden gasten zich rond een zwembad verdringen en gillende kinderstemmen je trommelvlies haast doen scheuren, waar je ’s morgens om zes uur uit bed moet om de hand te kunnen slaan op een ligstoel, waar je in een zaal met heel veel tafels en heel veel stoelen met heel veel mensen aan een heel lang buffet aanschuift voor het ontbijt en waar de stemmen van al deze mensen heel luid weergalmen.
‘Weet je’, zegt ze, ‘eigenlijk maakt de stilte me bang. Want dan begin ik te denken aan zovele dingen. Aan al wat gebeurd is en aan al wat nog gebeuren kan. Aan hoe mijn leven is en aan hoe ik het liever gewild had. Het is beter dat ik niet denk.’
We luisteren samen naar het geluid van de bosmaaier op het wandelpad naast mijn huis, de loeiende motor die de lucht in stukken scheurt.
‘En ik ben dol op de stilte’, zeg ik. ‘Meer nog: ik snak ernaar zoals ik naar weinig dingen snak. De hele zomer lang heb ik ernaar verlangd. Ik ging zitten in de tuin, nam me voor om van het mooie weer te genieten en van de rust. En telkens weer ging het mis. Het ergst was de loeiharde muziek van de buurman, waar ik zelfs binnen in huis niet kan aan ontsnappen, ook niet met alle ramen en deuren dicht. Maar er zijn ook de grasmachines, de bosmaaiers, de haagscharen, de bladblazers, de hogedrukreinigers. Er waren de graafmachines, wekenlang, bij de buren die een zwembad lieten installeren, er was geklop, getimmer, … Het hield niet op. Geen dag ging in stilte voorbij. Wanhopig werd ik ervan. Ik wilde zo graag dat het even echt stil was, hoopte elke dag dat ik die kans eens zou krijgen. En telkens weer lukte dat niet.’
Ze keek me aan alsof ik iets heel vreemds had gezegd, alsof het verlangen naar stilte een buitenaards gegeven was, iets waar ze volledig buiten stond omdat ze het nooit had ervaren. Ik keek waarschijnlijk even vreemd naar haar. Twee wezens met tegenstrijdige verlangens.

Ooit las ik een artikel over de ‘dode kamer’. Zo heet de stilste plek op onze planeet. Ze bevindt zich ergens in Minnesota. Min 9,4 decibel kan men er meten. De afwezigheid van elk geluid. Zodra iemand lawaai wil produceren in de kamer, worden de geluidsgolven meteen geabsorbeerd door de dubbele dikke wanden van staal en beton, bekleed met wiggen van vlasvezel.
Een paradijs, was mijn eerste gedachte toen ik over de bewuste kamer las. Een plek waar de absolute stilte echt bestaat. Maar blijkbaar wordt een mens er knettergek. Zodra je de ruimte betreedt, hoor je je hartslag, het gerommel in je organen. Je hoort het bloed ruisen door je aderen, het suizen van luchtmoleculen in je oor.
Velen hebben het al geprobeerd. Ze gingen er binnen om van de stilte te genieten, maar kwamen er halfgek terug uit. Het record staat op drie kwartier. Niemand hield het ooit langer vol. De meeste mensen vallen na enkele minuten al ten prooi aan hallucinaties, lopen gillend weg, slaan de deur met een harde bons achter zich dicht alsof ze de hel zelf ontvluchten.
Misschien is de dode kamer dus iets te extreem. Maar echte stilte is iets anders dan het totale ontbreken van geluid: stilte is het ruisen van de wind door de bladeren van de bomen, het gefluit van vele soorten vogels, het gekabbel van stromend water, het zoemen van de bijen. Het is de afwezigheid van verkeersgeluiden, van muziek, van storende motoren die allerlei machines aansturen.
Stilte is een toestand die je met jezelf confronteert, die gedachten naar boven haalt die diep ingegraven zaten in je binnenste.
En stilte brengt vooral rust.
Ik heb ze enkele keren gevonden. Ik vond ze in de fjorden van Noorwegen, in de gebergten van Zuid-Afrika, in de lavendelvelden van de Provence, op de hoogvlakte van Schotland, aan de kust van Californië en tussen de rotsen van Nevada. Ik sloot mijn ogen en liet ze binnendringen, heel diep, alsof ik ze daar ergens binnenin zou kunnen bewaren en er nog een heel jaar uit zou kunnen putten. Ik ging zitten, liet de stilte op me inwerken en werd overspoeld door geluk.
Maar dichtbij huis vind ik de stilte niet. In dit land vol asfalt en beton, midden dit wijdvertakte wegennet, in deze gemeenten en steden waar we als sardienen in een blik dicht tegen elkaar aan leunen, vind ik ze niet. Stilte in België is een utopie. Misschien worden mede daarom zovele mensen depressief, krijgen mede daardoor zovele mensen een burn-out. Na het harde werk geen stilte kunnen vinden. Het kan een mens finaal slopen.

‘Iedereen is zeker anders’, zegt ze voor ze weg gaat.
‘Iedereen is inderdaad anders’, zeg ik. En terwijl ik haar uitzwaai hoop ik dat ze ooit ook van de stilte gaat houden, dat ze weer durft denken aan alle dingen waaraan gedacht moet worden, dat ze het verleden in de ogen kan kijken voor ze het achter zich laat en vertrouwen kan hebben in de toekomst. Ik wens haar veel stilte toe. Een kwelling die haar misschien een beetje kan redden.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPin on Pinterest

1 reactie aan “In de naam van de stilte”

  1. Ab Kok 12 februari 2017 at 13:58 #

    Mooi stuk.
    Ik plaats het op de website met jouw goedvinden.
    Groet,
    Ab Kok, http://www.zondermuziek.nl

Geef een reactie