Blog

Het verdwenen kartuizerklooster

Augustus 2012. Mijn contract met de uitgeverij was net getekend, de redactrice zou in september met mijn manuscript aan de slag gaan.

Voor mij was De verborgen prelude af, maar ik wist dat een mij toen nog onbekende vrouw daar anders over zou denken. Redacteurs zijn een aparte mensensoort. Homo sapiens, dat wel. Maar dan vooral toch van het unieke soort dat in de renaissance opgang gemaakt heeft : de homo universalis.

‘Dit woord zou ik daar plaatsen, deze zin vind ik overbodig, laat deze twee hoofdstukken eens in elkaar vloeien, …’

Ik wist dat het er aan kwam. Daar dienen redacteurs dan ook voor. En na het vele gevloek en gezwoeg ben je ze achteraf toch ook wel weer dankbaar. Maar een goede redacteur heeft ook een neus voor anachronismen, voor tegenstrijdigheden in een plot, voor geografische onjuistheden en vele andere zaken waar een auteur in zijn schrijvende enthousiasme wel eens durft aan voorbijgaan.

En plots was ze daar: de angst. Had ik niets over het hoofd gezien? Klopten alle beschrijvingen in mijn boek wel volledig met de werkelijkheid? Wat de personages betrof, was ik overtuigd van mijn zaak. Stapels biografieën had ik gelezen. Duizenden pagina’s. Over Frédéric Chopin, over George Sand, over Solange, in alle mogelijke talen.
Voor beschrijvingen van plaatsen had ik de Google Streetview-versie uit de 19e eeuw geraadpleegd, afbeeldingen op het internet bekeken en dikke turven gelezen die het klooster van Valldemossa beschreven toen het gezin er in 1838 logeerde. Maar ik was nooit life in het kartuizerklooster geweest, de plek waar het belangrijkste deel van de plot zich afspeelt. Net daar ontdekt Solange inscripties in een oude ruimte vlakbij het monnikenkerkhof, wordt ze achtervolgd door een duistere man, verdwaalt ze in het labyrint van gangen en kapellen en ontwikkelt haar affectie voor Chopin zich tot een unieke vriendschap.
‘We moeten ernaartoe’, zei ik tegen mijn wederhelft in een vlaag van paniek.
‘Waar moeten we naartoe?’
‘Naar Valldemossa. Ik moet dat klooster zien. Helemaal van dichtbij. Stel dat ik in mijn roman vertel dat Solange een deur opent aan haar rechterkant en dat die deur dan links zit. We moeten er absoluut naartoe.’

Twee weken later zaten we op het vliegtuig. In België kwakkelde de zomer verder richting herfst, in Palma de Mallorca smolten de botten haast in ons lijf toen we de tarmac betraden. We namen een taxi naar het hotel, gooiden onze koffers op bed, huurden een auto vol blutsen en builen en gingen de hort op.

Het was druk in Valldemossa. Smalle steegjes, eetgelegenheden die plastieken pizza’s en andere maagvullende troep aanboden en, vooral: heel veel toeristen. Maar van het klooster geen spoor. In gedachten zag ik de tekeningen die Solanges broer Maurice van het gebouw gemaakt had. De statige weg die steil bergop ging, de dubbele toegangspoort, het indrukwekkende gebouw, de rijen bomen die ons naar de poort zouden leiden. Was dit wel Valldemossa? Ten einde raad klampte ik een passant aan. Hij wees ons de weg naar een plein, waar een sokkel met een buste van Chopin bestormd werd door Japanse meisjes. Ze droegen heel korte rokjes en witte sokken tot halverwege hun kuiten en giechelden terwijl ze Chopin kusten, elk op een wang. Hij keek ietwat beteuterd. In een hoekje van het plein zat de toegangsdeur naar het klooster. Een zij-ingang of zo, ging het door mijn hoofd, en ik stapte binnen in een kapel.
Maar toen we daarna een gang betraden met aan de linkerkant enkele kloostercellen die als museum ingericht waren en het bezoek op het eind van de gang al ophield, sloeg de paniek in alle hevigheid toe. Ik had het begrepen. Het immense klooster uit 1838 dat drie gigantische gebouwen geteld had. Alleen het modernste deel stond nog recht. De rest was verzwolgen in een samenraapsel van parkings, huizen, winkeltjes en een parkje met exotische bomen.

Ik wendde me tot het personeel, maar hoe ik me ook probeerde verstaanbaar te maken, in het Engels, daarna in het Frans, in het Duits en zelfs in het Italiaans, telkens kreeg ik een integraal Spaanse woordenvloed over me heen. Toen ik het over een cimitero had en één van de dames het Italiaanse woord dan toch als ‘kerkhof’ herkende, verwees ze me doodleuk naar het moderne kerkhof van het dorp.

Ik gaf het op. Even zocht ik nog naar de zolder waarin Solange een feeënpaleis had gezien, naar de binnentuin met de dwergpalmboom, naar de middeleeuwse kapellen. Maar ik moest het onder ogen zien : er was helemaal niets meer. We wandelden nog een uurtje door Valldemossa. Ik bekeek het klooster van alle kanten en begreep na lang zoeken waarom ik helemaal niets herkend had. De statige toegangspoort uit 1838 bleek vervangen door een muurtje. Op de plek waar Chopin, George en de rest van het gezin de steile toegangsweg beklommen hadden, gaapte nu een afgrond. En waar het viertal het kartuizerklooster binnengekomen was, huisde een souvenirwinkeltje van de goedkoopste soort. Er werden porseleinen beeldjes van Chopin verkocht en sleutelhangers in de vorm van een piano.

Enkele uren later waren we terug in het hotel. Onze koffers lagen ongeopend op bed. Ik gooide me op de meest robuuste van de twee, liet de airco gonzen tegen mijn bezwete huid en zei tegen mijn man: ‘Als die deur nu echt links zat, zal niemand dat ooit nog kunnen achterhalen. Kom, doe je slippers aan. We gaan naar het strand.’

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPin on Pinterest
Nog geen reacties

Geef een reactie