Blog

Het paleis van de armoede

Dat het allemaal de schuld is van de vrouwen. Dat verklaarde Fernand Huts toen hij het gebrek aan jonge ondernemers in België aanklaagde in een interview.
Vroeger was alles zoveel beter. Toen lieten de intrinsiek brave echtgenotes van entrepreneurs hun wederhelft alle ruimte om zijn ding te doen. Ze streken zijn overhemden, wachtten hem ’s avonds op met een bord stevige kost en stelden verder geen lastige vragen.
Nu echter durven de partners van talentvolle mannen het aan om hen eisen te stellen. Zo willen de verwende vrouwen van nu dat hun echtgenoten meehelpen in het huishouden (alsof ze het niet alleen kunnen als ze dat maar zouden willen), dat ze hen vergezellen op skireis of op citytrip (een ware kwelling voor mannen die niet houden van après-ski met een glas wijn in de hand of van een uitgebreid ontbijtbuffet op het terras van een Romeins hotel) en dat ze zelfs proberen thuis te zijn tussen kerst en nieuw (terwijl elke rechtgeaarde ondernemer natuurlijk geen tijd heeft voor vakantie wegens te druk en andere prioriteiten).
Nog volgens meneer Huts heeft quality time in deze moderne tijden voorrang gekregen op geld verdienen. Maar zo gaat de wereld niet vooruit, aldus de über-ondernemer, ooit manager van het jaar wegens bewezen diensten voor onze economie, voor de jaarbalans van zijn bedrijf, en voor zijn eigen portefeuille.

Dat meneer Huts het bestaan van ondernemende vrouwen niet eens in zijn betoog opneemt en hen dus als quantité négligeable aan de kant zet, daar ben ik niet eens van geschrokken. Seksisme is een diep geworteld denkproces dat ondanks alle goed bedoelde initiatieven nooit volledig uitgeroeid zal worden. Volgens antropologen zit het meest wezenlijke verschil tussen de moderne man en de jager uit de oertijd in de verpakking, in het zijden kostuum of de afgewassen jeans, en zit paternalisme ingebakken in een of andere hersenkwab. En eigenlijk is er ook al vooruitgang geboekt. Zo mogen ook vrouwen tegenwoordig uit werken gaan. Ze mogen zelfs een poging wagen om carrière te maken, om zichzelf de illusie voor te houden dat hoge posities in de bedrijfswereld ook voor hen weggelegd kunnen zijn, zolang ze er maar in slagen om ofwel kinderloos te blijven ofwel als een volleerde circusartiest alle ballen tegelijk in de lucht te houden: de zorg voor de kinderen en voor het huishouden, de onvoorwaardelijke steun aan hun man in zijn (uiteraard) veel belangrijker carrière, en het uitvoeren van hun eigen job. Het is hen gegund. En alleen zwakkelingen gaan ten onder aan de stress die deze evenwichtsoefening opwekt.

Wat me wel verbaasde in deze uitspraak is de vaststelling dat een man die overmorgen 66 wordt en dus al heel wat jaren en levenservaring achter de kiezen heeft, er nog steeds niet achter is gekomen wat echt telt in het leven en wat de betekenis van vooruitgang in onze maatschappij kan zijn.
De wereld gaat volgens deze topmanager namelijk niet vooruit wanneer mensen quality time voorrang geven op geld. Waarmee financiële verrijking in één moeite dus op het hoogste schavot geplaatst wordt in de ranglijst van menselijke waarden.
Moeten we vooruitgang dan zien in het stijgend aantal echtscheidingen in onze maatschappij, vaak een gevolg van drukdruk en te weinig tijd? Moeten we haar zoeken in de onthutsende cijfers die aangeven hoeveel Belgen verslaafd zijn aan slaappillen, hoeveel dosissen antidepressiva er dagelijks geslikt worden in ons land? Zijn de duizenden Belgen die thuis zitten met een burn-out een symptoom van onze zo gekoesterde vooruitgang? Of misschien moeten we het zoeken in de verzuring, de onverdraagzaamheid, het racisme, het egoïsme dat almaar meer op de voorgrond treedt, de hang naar altijd meer?
Hoe kan het dat een man in de herfst van zijn leven nog steeds niet door heeft wat echt telt in ons bestaan, wat onze wereld effectief vooruit kan doen gaan? Moet onze economie dan elk jaar maar blijven groeien ten koste van het geluk dat de modale burger niet meer kan vinden, het geluk dat hij gaat zoeken in zelfhulpboeken en in lezingen van bekende psychiaters? Of kunnen we leven met de gedachte dat het menselijk kapitaal de ruimte mag krijgen om te groeien naast het financiële kapitaal? Mogen we allemaal een inspanning doen om onze emotioneel verdorde maatschappij een stuk vruchtbaarder te maken en daar dan ook de nodige tijd in te investeren?
Wat is echte rijkdom? Een grote zak geld? Of een iets kleinere zak en een emotioneel rijker leven?
Zelf heb ik drie tieners in huis. Beroepshalve kom ik dagelijks in contact met jonge mensen. En ik kan alleen maar vaststellen dat er een kentering aan de gang is. De jongste generatie heeft het eindelijk verstaan. Er is meer dan geld in het leven. Ook zij zullen werken om een comfortabel leven te kunnen leiden. Ook zij willen een eigen huis, een mooie auto en de financiële ruimte om op citytrip te gaan. Want ook een zekere materiële welstand is noodzakelijk om gelukkig te kunnen zijn. Alleen onnadenkende steenrijke mensen beweren dat geld geen enkele rol speelt in hun bestaan.
Maar het mag voor deze jongeren best wat langer duren voor dat huis er komt. Ze zullen er tien jaar langer voor sparen dan wij ooit deden. Want in de eerste plaats is er het leven dat o zo kort kan zijn, dat volop geleefd moet worden, de mooie momenten waar een mens niet aan voorbij mag gaan, de kinderen die ons veel te snel weer ontglippen, de liefde die gekoesterd moet worden.
Ik geef hen gelijk. Laat ons vooral genieten van de mooie dingen die er zijn. Laat ons zorgen voor elkaar, investeren in de relaties die er echt toe doen, waken over ons eigen welzijn en dat van ons gezin. Laat ons werken aan ons bruto nationaal geluk. Op deze manier zal de wereld er echt op vooruitgaan.
Ik ken prachtige mensen van achttien die weten hoe belangrijk dit is. Hun wijsheid kan tot voorbeeld strekken voor die ene man van 66, die zwalkende ziel die de weg kwijt geraakt is in het doolhof van geldgewin, getatoeëerde varkens en organigrammen waar mannen nog steeds de hoogste posities bekleden, vijftigplussers vooral, onvoorwaardelijk gesteund door hun toegewijde echtgenotes. Dat diezelfde vrouwen zichzelf weggecijferd hebben ten koste van die ene carrière die niet van hen is, dat ze snakken naar liefde, het hoogste goed dat ze ooit hebben gekend en lang geleden kwijtgeraakt zijn in dat paleis vol kunstwerken en dure meubels, daar staan de topmanagers het liefst niet bij stil. Dat hun goed gespijsde bankrekening, een toonbeeld van de vooruitgang die ze ooit maakten, hen geen warmte kan schenken, ook dat is een insignificant detail.
Wie spreidt de meeste wijsheid tentoon? De topmanager die zichzelf nooit als nieuwe man zou willen zien en vol trots verkondigt dat hij er nooit was voor zijn nageslacht? Of de jonge dertiger die elke avond op tijd naar huis komt om zijn kinderen een verhaaltje voor te lezen in bed? Wie is de rijkste van de twee?
Of hoe rijkdom het beste voorbeeld kan zijn van armoede.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPin on Pinterest

1 reactie aan “Het paleis van de armoede”

  1. Marleen 16 juni 2016 at 20:23 #

    Ik wou dat ik dit zelf geschreven had. De moderne vrouw wil voor zo een baas gewoon niet werken!

Geef een reactie