Blog

Het ongewenste talent

Het lukt me net iets minder vaak dan ik zou willen, maar nu en dan lever ik een prestatie van wereldniveau. Op zulke momenten zou ik mijn huzarenstukje het liefst kunnen 3D-printen op een miljoen exemplaren en het aan de hele wereld laten zien, zo trots ben ik erop. 
Maar nog vaker blink ik uit in een talent dat ik het liefst aan iemand anders had kunnen wegschenken: de gave om mezelf op uiterst doortastende wijze in gênante situaties te brengen.
Zo rende ik vorig weekend bijna spontaan naar de nooduitgang nadat ik de verkoopster van een schoenenwinkel had beledigd. Toen de vrouw me een paar schoenen had voorgehouden met de woorden ‘Volgens mij zijn deze helemaal wat u zoekt,’ had ik gerepliceerd dat ik ze uitgesproken lelijk vond. ‘Vindt u dat echt?’, vroeg de verkoopster, en ze wees ietwat beteuterd naar haar eigen voeten, omhuld door … jawel, datzelfde paar schoenen. 
Blunders als deze. Ze zijn een specialiteit. Ik zwaai terug naar mensen die in feite naar iemand anders hadden gezwaaid, ik tik een kennis op de schouder, waarna die zich omdraait en een onbekende blijkt te zijn, ik vraag in de winkel of het bloesje dat ik in de hand heb ook nog in een small te verkrijgen is aan een vrouw die daar evenmin werkt als ik, ik bots tegen een spiegelwand aan en zeg sorry tegen mijn eigen spiegelbeeld, ik beschrijf in een mail aan een collega-auteur hoe iemand zich als een onmens met me heeft gedragen en stuur de mail dan doodleuk naar de slechterik in kwestie, en ik laat op goochel-achtige wijze een tampon uit mijn handtas floepen wanneer ik voor een klas sta vol zeventienjarigen. Overwegend jongens uiteraard. Het ding komt terecht op de bank van de meest verlegen jongen uit die klas, ik duik erachteraan, struikel, en ga daarbij zowat bovenop de geschrokken jongen liggen, … 
Ja, als er een diploma voor het creëren van gênante situaties werd uitgedeeld, dan had ik het zonder examen ontvangen.
Meestal voel ik me na het voorval heel even in mijn identiteit aangetast, maar zet ik daarna de gevorderde versie van een pokergezicht op. ‘Niets aan de hand. Doodgaan is net iets erger.’ Een uitspraak waar ik in werkelijkheid op dat moment even aan twijfel. Of ik zou mezelf op zijn minst onzichtbaar moeten kunnen maken.
Dat verlangen naar onzichtbaarheid dringt zich ook vaak op wanneer ik voor parkeerautomaten sta, die ondingen die me met dodelijke efficiëntie in verlegenheid kunnen brengen. Want iedere keer weer doen ze elke schijn van intelligentie die ik heel misschien uitstraal compleet verdwijnen wanneer ik er met mijn ticket in de hand voor ga staan en geen idee heb waar ik het ding precies in moet stoppen. Ik blijf maar staren naar dat raadselachtige toestel, tot de persoon achter me het niet meer kan aanzien en wijst op de gigantische fluogele pijl die naar een gleufje leidt met de letters ‘ticket’ erbovenop.  
Ik schaam me rot terwijl ik het ticket in de gleuf stop, weet zeker dat de persoon achter me mij nog niet in staat acht een getuigschrift lagere school te hebben behaald wegens zwakbegaafd, ik haal enkele munten tevoorschijn en begin verwoed te zoeken naar die andere gleuf.
Over al deze toestanden had ik het een paar dagen geleden met een vrouw, die er heel hartelijk om moest lachen.
‘Weet je wat?’ zei ze. ‘Misschien moet je er eens een column over schrijven.’
‘Ben je gek?’ zei ik. ‘Dat zou pas gênant zijn.’
We namen afscheid en ik stapte naar huis, keek in de spiegel en merkte dat ik hartelijk had zitten lachen met een stukje sla tussen mijn tanden.
Ik schaamde me te pletter en dacht: nee, een column over al die gênante situaties. Geen sprake van. Dat schrijf ik nooit.

Nog geen reacties

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.