Blog

Het mysterie van de regenboog.

Alleen wie de laatste week in een grot doorgebracht heeft, kan aan het nieuws voorbij zijn gegaan: Mandela is dood. Leve Mandela.

Dagenlang al tonen de journaals archiefbeelden van de man, horen we stemmen verklaren dat een icoon ons is ontvallen en worden we overspoeld door beelden waarop blank en zwart rouwen, huilend in elkaars armen.
En het is net dat beeld dat me niet loslaat, het beeld van blank en zwart die troost zoeken bij elkaar, in een land waar de scheiding tussen beiden zo sterk is, de band die hen samenhoudt uitzonderlijk nauw, een ogenschijnlijke tegenspraak die dat in Zuid-Afrika niet is.
Want je moet er geweest zijn om het te begrijpen. En je moet er ook geweest zijn om er vooral niets meer van te begrijpen.

Twee keer reisde ik met mijn gezin door Zuid-Afrika. Een eerste keer in 2010, een tweede keer enkele maanden geleden. We doorkruisten met de auto het hele land, zagen de meest adembenemende landschappen, vielen van de ene verbazing in de andere en werden betoverd door de grootsheid van de natuur, door de grenzeloze vriendelijkheid van de mensen en door de cultuur in al haar aspecten. Maar hoe langer we er verbleven, hoe meer we het land en het volk ook echt wilden begrijpen. En daarom lieten we ons in de sloppenwijk Masipumelele rondleiden door een trotse bewoonster van de wijk zelf, zochten we contact met alle lagen van de bevolking en grepen we elke kans aan om mensen te spreken te krijgen. Maar zelfs na wekenlang rondreizen, na aandachtig mensen geobserveerd te hebben en na diepgaande gesprekken met lokale bewoners, begreep ik bij mijn terugkeer nog steeds niet hoe die schijnbare harmonie standhoudt, hoe ze het klaarspelen op die manier in vrede met elkaar te leven. Want hoe kan iemand die voor een hongerloon zijn blanke baas dient en drie keer harder werkt dan die baas zijn situatie zomaar aanvaarden?

Ik had gesprekken met zwarte mensen en gesprekken met blanke mensen, ik vroeg aan beiden hoe ze hun leven in Zuid-Afrika ervoeren, maar na elk gesprek bleef ik met meer vragen achter dan ik ervoor had. Want ik vatte het niet. De gelatenheid van de zwarten, de vanzelfsprekendheid waarmee de blanken hun positie goedspraken en waarmee ze mijn verontwaardiging onder de mat veegden, de argumenten die ze aanhaalden om te rechtvaardigen dat ze hun werknemers een hongerloon uitbetaalden enkel in functie van hun huidskleur terwijl ze toch ontkenden racistisch te zijn. En ik zag inderdaad hoe hartelijk ze omgingen met hun zwarte nanny en met hun tuinman, even hartelijk als met ons, en hoe liefdevol die nanny de kinderen van haar blanke baas opvoedde, alsof het haar eigen kroost was, terwijl haar bloedeigen kinderen dag en nacht bij familie verbleven. Ik zag inderdaad geen racisme in de zin van haat en onderwerping, ik zag mensen die eerbiedig omgingen met elkaar. Mooi, en toch zo ambigu.
Het ontlokte me telkens weer dezelfde uitspraak: ‘De apartheid is nooit afgeschaft. Dat was maar een flauw grapje.’

Soms dacht ik dat ik de redenering achter de situatie eindelijk doorhad:
Witte mensen hebben hersenen, zwarte mensen hebben handen.
Zo eenvoudig leek het toch meestal.
Want hoe verklaar je anders dat bedrijfsleiders en hun bedienden blank zijn, hun arbeiders zwart? Dat alleen blanke mensen in restaurants eten en dat alleen zwarte mensen hen daar bedienen? Dat alleen blanke mensen guesthouses uitbaten en dat alleen zwarte mensen ze onderhouden? Dat uitsluitend zwarte mensen kromgebogen wegenwerken uitvoeren en dat blanke mannen langskomen om hen te controleren? Dat in alle mooie, door hekken omheinde huizen blanke mensen wonen en in alle krotten zwarte?

Minstens vijf pagina’s lang kan ik op die manier doorgaan. Ik kan ook vertellen hoe slecht ik me voelde nadat een zwarte man vroeg of hij de boterhammen die we in onze huurauto achterlieten mocht hebben voor zijn familie en hoe hij op zijn knieën viel omdat we hem die gaven terwijl we ze toch zouden weggegooid hebben. Hoe verheugd we waren toen zwarte politieagenten aan wie we de weg vroegen ons gewoon met hun wagen voorreden en ons de beste parkeerplaats toonden, er toeristische tips bij gaven en ons vriendschappelijk op de schouder klopten? Hoe we in het nog armere Swaziland tijdens een picknick omcirkeld werden door in lompen gehulde mensen die eerst een appel vroegen, daarna vijf appels, daarna ons brood, en hoe we vervolgens moesten vluchten toen ze steeds dichterbij kwamen en onze hele koffer dreigden te plunderen. Ik kan vertellen hoe moeilijk de knoop van emoties te ontwarren viel, die mengeling van medelijden en angst die ik tegenover de arme bevolking voelde, de hulpeloosheid omdat je hier en daar iemand iets kunt toestoppen, maar dat niet voor al die anderen kunt doen, de omzichtigheid waarmee je met mensen moet omgaan die medelijden opwekken en plots gevaarlijk kunnen blijken. En hoe vreemd ik het vond dat een volk dat alle redenen heeft om een ander volk te haten dat niet doet, hoeveel ogenschijnlijk respect ik ondanks alle ongelijkheden zag tussen blank en zwart.

Het duidelijkste gesprek over die toestand had ik drie jaar geleden in de Kaap met een West-Vlaamse vrouw die er woonde. Het was een down-to-earth-verklaring voor de harmonie die ze gaf, geen intellectueel gezwets.
‘We hebben elkaar gewoon nodig’, zei ze. ‘En dat beseffen we allebei. De blanken hebben personeel nodig, de zwarten willen werk. En zo is iedereen tevreden.’
Ik knikte maar kon me er nog altijd niet in vinden. Ik vertelde haar hoe ik al jarenlang les geef aan jongeren van alle mogelijke nationaliteiten, en hoe ik vanaf de eerste les door die huid heen kijk, naar de persoon peil achter dat kleurtje, onder die hoofddoek. Want als ik één ding geleerd heb, dan is het wel dat goed of slecht, slim of minder slim niets met huidskleur of religie te maken hebben, wel met opvoeding en kansen.
‘Maar er is hier al erg veel veranderd, hoor,’ zei de vrouw me met veel overtuiging. ‘In de horeca is het voor een blanke zelfs bijna onmogelijk werk te vinden omdat de werkgever eerst moet kunnen bewijzen dat hij geen zwarte werknemer gevonden heeft voor hij een blanke mag aannemen. En er is ondertussen ook een zwarte elite opgestaan. Rijke zwarten bestaan hier ook, hoor. Maar, weet je, de meeste zwarten, die wíllen ook niet studeren. Dat is de realiteit. Het interesseert hen veelal niet. En zo blijven ze steken in hun lot. Er is al zoveel veranderd, maar mensen moeten ook willen.’

Het maakte mijn beeld van het land en van de onderlinge verhoudingen tussen de rassen alleen maar verwarrender. Ik vroeg me af of ik naïef was met mijn hang naar gelijkheid, of de mechanismen die speelden niet veel gecompliceerder waren dan ze leken.

En nu ik op tv blank en zwart verenigd zie rond het graf van Mandela, bijeengebracht in het verdriet dat hij achterlaat, hoop ik dat de dood van deze man echt iets kan teweegbrengen in dat prachtige land dat ons tot twee keer toe betoverde in al zijn schoonheid. Want ooit moet ook het onrecht eraan geloven. Alleen dan kunnen alle kleuren van de regenboog tot hun recht komen en even fel schitteren aan de hemel van een land waarop ik ondanks alles zo verliefd werd.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPin on Pinterest
Nog geen reacties

Geef een reactie