Blog

Het kaf en het koren

Het was een bericht zoals we die vaak versturen. Even snel tussendoor. Dat ze dan toch geen tijd had om me te komen ophalen en een koffie met me te gaan drinken die middag. Er was plenty of werk te doen. Dat zou ik zeker wel begrijpen. En dat ze me nog een mooie dag toewenste. 
De lucht was donkergrijs maar ineens leek hij zwart. Het werd een dag waarop de muren rondom me zich steeds nadrukkelijker profileerden als de grenzen die me opgelegd waren. Een dag waarop ik het liefst van mezelf had kunnen wegvluchten.
Vier weken waren verstreken sinds de operatie. Nog achttien dagen. Dan zou de chirurg het gips verwijderen dat strak rond mijn hand gespannen zat, dat mijn duim volledig scheidde van de rest, en dat me op allerlei manieren afhankelijk maakte van anderen, nog meer omdat mijn andere hand er ook erg aan toe was. 
Ik wilde uitbreken. Maar fietsen werd onverantwoord genoemd, autorijden was niet toegestaan. 
En dan was er nog het weer. 
Buiten viel duizend liter water per seconde uit de lucht, de wind beukte onverminderd op de muren van ons huis, waardoor die nog iets dichter naar me toe leken te schuiven. Naar het station stappen en de trein nemen naar de stad was geen optie. Mijn gips zou doornat zijn. Net als al de rest.
Ik had urenlang geluisterd naar de mooiste muziek, honderden pagina’s gelezen, op het net gesurft en ook wat gechat, maar ineens lukte niets meer wegens er geen zin in hebben en de drang om mensen te zien. Een drukkend gevoel van eenzaamheid zette op.
En toen kwam het: de bedenking hoe situaties als deze elke verhouding telkens weer op scherp stellen, hoe je bij periodes van tegenslag of ziekte elke keer geconfronteerd wordt met de loyauteit en – meer opvallend – met het gebrek daaraan van mensen die je als trouwe vrienden, goeie collega’s en dierbare familie had beschouwd, hoeveel mensen hun medemens in de steek laten wanneer die het meeste nood heeft aan contact. 
Terwijl de klok tergend traag tikte, kwamen ze een voor een in gedachten voorbij. Collega’s waarvoor ik in de bres was gesprongen, vrienden die hun verdriet als een lawine over me uitgestort hadden en die ik op elk gepast en ongepast moment een luisterend oor had geboden, familieleden die ik te hulp was geschoten, die ik met raad en veel daad had bijgestaan. De stilte van elk van hen klonk oorverdovend luid, de leegte deed pijn, en even voelde het alsof de radertjes van de wereld verder draaiden zonder dat ik nog mocht meedoen.
Maar toen dacht ik aan alle mensen die me wel hadden gecontacteerd. Het waren er veel, zoveel meer dan mijn donkere gedachten wilden erkennen. Ik dacht aan de mensen die me hadden verrast, aan de collega waar ik voordien nauwelijks contact mee had en die me in drie weken tijd drie keer opgebeld had, aan de Facebookvriendin die ik nog nooit in het echt ontmoet heb, maar die me elke dag contacteert en mijn stemming feilloos aanvoelt. En ik dacht aan de vriendinnen die me altijd trouw zullen blijven, wat er ook gebeurt, die me een week na de ingreep al meenamen naar een concert, me met ontroerend veel liefde hielpen bij al wat ik niet in mijn eentje gedaan kreeg, en me terug naar huis brachten, waarna ik er een warme knuffel bovenop kreeg. De vriendinnen die me dagelijks vragen hoe erg de pijn nog is en of ze me ergens bij kunnen helpen. Ik dacht aan mijn echtgenoot die als een volleerde huisman al wekenlang strijkt en dweilt en zich met twee wasmanden tegelijk een weg baant door het huis, en aan de eigenschap die we volgens psychologen allemaal hebben om te focussen op het negatieve en het mooie ermee te overschilderen.
En de hemel klaarde op, terwijl nu niet duizend maar tweeduizend liter water per seconde naar beneden viel. De stilte was niet meer zo stil.
Dat men in nood zijn vrienden leert kennen. Wat is dat waar. Misschien is het ook een unieke kans. Om het kaf van het koren te scheiden. Pijnlijk is dat. Maar verhelderend is het evenzeer.

Nog geen reacties

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.