Blog

Het 0,0-probleem

Elk mens creëert nu en dan een probleem dat er geen zou moeten zijn. Vooral ’s nachts kan het ons allemaal wel eens overkomen, wanneer de duisternis elke zin voor relativering doet vervagen zodat de heuvel die men over moet de proporties van een reusachtige berg aanneemt. Meestal brengt de ochtendstond in dit geval raad en rust en lost het probleem zich vanzelf op.

Maar ook het omgekeerde gebeurt af en toe, de situatie waarin iemand door derden een probleem aangepraat wordt terwijl hij er zelf helemaal geen ziet.

En dan is er nog de derde soort: het Rik Torfs-probleem, een variant waarbij het zwakke vlees alle verstand naar verre uithoeken van de logica verbant. Maar daarover straks meer.

Zelf vind ik de opgedrongen soort het lastigst. Zo dichten mensen me al jaren een alcoholprobleem toe waar ik zelf nooit enige last van gehad heb, een houding die ze zelf als uiterst storend ervaren terwijl ik nog nooit begrepen heb waarom ze hen een doorn in het oog is. Op zowat elke receptie of feestje word ik er mee geconfronteerd. Mensen spreken me erop aan, dwingen me mijn gedrag te verantwoorden. Maar hoe hard ik ook probeer hen die verantwoording te verschaffen, mijn houding is en blijft voor hen een knelpunt, elke uitleg blijkt ontoereikend.

Zoals ik net zei: ik kamp dus met een alcoholprobleem. Het bestaat erin dat ik geen druppel alcohol drink, een houding die in onze bier-, wijn- en cavacultuur meer ergernis en onbegrip lijkt op te wekken dan het iets beter gekende alcoholprobleem dat verslaving genoemd wordt. Want probeer het maar eens uitgelegd te krijgen als volwassen vrouw: dat je geheelonthouder bent zonder voorafgaande verslavingsgeschiedenis. Zelfs mijn meest ruimdenkende medemens, de vrouw die zonder al te veel nadenken op de barricades springt voor homorechten, voor godsdienstvrijheid en voor het recht op het behoud van flaporen en mini-borsten, kan het niet accepteren.

In familieverband is het probleem al jaren van de baan. Mijn naasten zetten bij elke feestelijke gelegenheid een glas water of fruitsap voor me klaar tussen de glazen rode wijn, niemand probeert me nog ergens toe te dwingen en er worden geen woorden meer aan vuil gemaakt.

Maar op huwelijksfeesten, bedrijfsrecepties of een verwaaide nieuwjaarsdrink is het ronduit gênant. Vaak begint het kruisverhoor net op het moment waarop ik in een interessant gesprek verwikkeld ben met een vrouw die ik een half uur daarvoor heb leren kennen en er een geüniformeerde jongeheer met dienblad langskomt.

‘Een glaasje champagne, Mevrouw?’

Op dat eigenste moment voel ik de bui al hangen. Doorgaans draai ik me zo nonchalant mogelijk naar de jongen toe en geef hem discreet antwoord, wat de aandacht van mijn gesprekspartner alleen maar verscherpt, vooral omdat er helemaal geen antwoord verwacht wordt, maar wel een hand die een glas van het dienblad plukt.

‘Nee, dank u’, zeg ik. ‘Hebt u misschien een glas water?’

‘Ja, natuurlijk. Plat of bruisend, Mevrouw?’

‘Graag plat alsjeblieft.’

Voor de jongeheer in kwestie is de kous daarmee af. Enkele ogenblikken later krijg ik een glas water in de hand gestopt. Zijn taak zit erop.

Maar voor de mensen die me omringen is de schok te groot om ongestoord verder te gaan met ons gesprek.

Zodra ik mijn gesprekspartner aankijk, zie ik het al. Twee wenkbrauwen schieten richting haargrens. Ik hoor de vrouw diep adem halen in de aanloop naar het kruisverhoor waaraan ik zal worden onderworpen, haar lippen gaan van elkaar.

‘Geen champagne voor jou?’

Soms gaat de blik van de vrouw op dat moment nog even vluchtig in de richting van mijn onderbuik, waar de oorzaak van de weigering eventueel gezocht zou kunnen worden, maar nu ik de veertig toch al weer een paar jaar voorbij ben en ik haar net verteld heb dat mijn jongste binnenkort elf wordt, is deze mogelijk verdachte factor voor mijn gedrag steeds minder van tel.

‘Nee. Ik drink geen alcohol.’

‘O nee? En dus ook geen glaasje champagne?’

Ik schud het hoofd, wil gezellig verder kletsen over de kuren van onze pubers, over de winter die maar niet van de grond komt en als het even kan over boeken natuurlijk, maar dat blijkt een loze wens te zijn.

‘Drink jij dan helemaal niets met alcohol?’ dringt mijn gesprekspartner nog eens aan.

‘Nee.’

‘Nooit gedaan ook?’

Het medelijden in de stem klinkt haast ondraaglijk sterk door.

‘Nee, ik heb nooit alcohol gedronken.’

‘En waarom niet?’

‘Ik heb er gewoon geen behoefte aan, ik vind het niet eens lekker.’

‘Niet lekker?’ De wenkbrauwen worden nog hoger gelift. ‘Heb je het dan wel al eens geproefd?’

‘Ja, natuurlijk. Ik heb bier geproefd. En wijn. En champagne. Maar ik vond het gewoon niet lekker. En dus heb ik het niet meer opnieuw gedaan. Ik zag niet in waarom ik mezelf zou moeten dwingen alcohol te drinken.’

Op dat moment zie ik de nadenkende blik in de ogen van de vrouw voor me, het zoeken naar een weerwoord, naar een goed onderbouwd argument dat me met een of ander schuldgevoel zou moeten opzadelen of dat me er op zijn minst zou moeten op wijzen dat ik me niet gedraag zoals het hoort.

De ergernis is zichtbaar, de vrouw zet een stap achteruit. Ze heeft te maken met een aso, iemand die niet deelneemt aan het samenzijn waar alcohol onvermijdelijk bij hoort. Alcohol is namelijk gezelligheid, samenhorigheid en, na een glas teveel, ook plezier. Alcohol is synoniem van feesten. Drink je geen bier of wijn, dan doe je eenvoudigweg niet mee. Zelfs Bob begint de avond op zijn minst met een aperitief. Bob is namelijk helemaal geen saaie geheelonthouder in onze cultuur. In het beste geval houdt hij er na twee tot drie glazen mee op, afhankelijk van de tijd die hij nog denkt door te brengen op het feestje voor hij achter het stuur kruipt, afhankelijk ook van zijn geslacht en zijn lichaamsgewicht, zodat zijn lever mits enige rekenvaardigheid waarin de drie factoren op een correcte manier in een formule samen gebracht zijn, de tijd gegund wordt het gif op tijd afgebroken te krijgen.

Een Bob die helemaal niet drinkt is echter verdacht, asociaal en onsympathiek.

Dat het recht op aan alcohol gelieerd plezier ook steun blijft krijgen vanuit intellectuele hoek, bleek deze week toen ik de column van Rik Torfs in De Standaard van 27 januari las. Hij verwoordt er zijn persoonlijke visie op het voorstel van minister Crevits om de grens van 0,5 naar 0,2 promille te verlagen, een visie die verdacht veel weg heeft van de mening die een al te vaak dronken ex-collega van me ook te pas en te onpas verkondigde voor hij zijn auto na een wild feestje in de prak reed: Kiezen tussen drinken en rijden is volgens de professor namelijk ‘klinkklare onzin’. Ook met een glaasje op beweert de goede man nog perfect te kunnen rijden.

Ware het niet dat ik op dat moment rechtopstaand de krant las, ik viel van mijn stoel. En eigenlijk werd het alleen nog maar erger.

Verteerd door een onverholen heimwee haalt de professor in de column met enige zin voor pathos herinneringen op aan de goede oude tijd waarin 0,8 promille de norm was, een tijd van vrijheid, van minder controles. De professor beweert zelfs liever twintig kilometer om te rijden dan zich aan een alcoholtest te moeten onderwerpen, een aanslag op zijn persoonlijke vrijheid die hij maar moeilijk kan verteren in deze steeds gekker wordende maatschappij. Want volgens Rik Torfs worden we echt wel gek, streeft onze maatschappij steeds meer naar volledige zuiverheid, zijn ‘de chauffeurs van morgen de maagden van gisteren’ en is ‘extreme zuiverheid onzin’.

Met stijgende verbazing las ik de column opnieuw, een tekst vol gemeenplaatsen die elke toogfilosoof op café kwistig in het rond strooit. Zo brengt Torfs ook de hoogst persoonlijke stelling naar voor dat vermoeide managers achter het stuur op zijn minst even gevaarlijk zijn als de brave burger die een glas teveel heeft gedronken. Over het feit dat die vermoeide manager vaak bovenop de vermoeidheid een sociaal aanvaard drankprobleem achter zijn stuur met zich meesleurt, rept de professor met geen woord.

Verwoed zocht ik in de column nog naar de vaak door mannetjesputters uitgeroepen stellingen dat ‘water voor de vissen is’ of dat je van water ‘alleen maar kunt roesten’, maar deze net iets te populaire uitspraken had de professor op het laatste moment blijkbaar nog uit zijn column geschrapt. Teveel caféwijsheden zouden zijn betoog ongeloofwaardig gemaakt kunnen hebben. Vermoed ik.

En toch was het kalf voor mij al verdronken. Misschien zelfs in een plas bier. Het Rik Torfs-probleem was geboren, alle rede verschwunden.

Een professor is duidelijk ook maar een mens. Het zwakke vlees wint het ook bij hem van het bovengemiddeld ontwikkelde verstand dat hij behoort te hebben. De professor houdt van een glas en niemand kan zich het recht toe-eigenen hem dit plezier te ontzeggen. Zeker geen minister die naar maagdelijkheid streeft in de wetenschap dat alleen 0,0 een basis kan vormen voor een zo volledig mogelijke rijvaardigheid.

En zo wist ik het weer helemaal: als geheelonthouder en fervent pleiter voor 0,0 in het verkeer behoor ik ook voor bepaalde professoren hoogstwaarschijnlijk tot een bedreigde diersoort, ben ik een onaangepast sujet dat zo asociaal is om compleet nuchter achter het stuur te gaan zitten en dat ook van anderen te verlangen, zich daarbij een of andere gereïncarneerde maagd te wanen, een zuiver mens, verheven boven het drinkende plebs. Volledig kierewiet moet je daarvoor zijn. Ik zal het nog vaak tussen de regels van het kruisverhoor mogen horen.

Want alcoholverslaafden, die hebben tenminste een probleem waaraan nog gewerkt kan worden. Geheelonthouders daarentegen zijn hopeloze gevallen, gestoorden waar zelfs een fles goede wijn niets meer tegen vermag.

 

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPin on Pinterest
Nog geen reacties

Geef een reactie