Blog

De voorbijgangers

Mensen observeren. Eindeloos boeiend vind ik dat. Op een terrasje zitten en je ogen laten dwalen over de mannen en vrouwen aan de tafeltjes rondom, daarna over de mensen die op straat voorbijstappen, gehaast of verveeld, met een ernstige frons of met twinkelende ogen, en daar van alles bij bedenken. Het is plezierig, maar het stemt vooral tot nadenken, tot filosoferen over het lot en het leven. Over hoe elk mens zijn eigen universum creëert waarin hijzelf het middelpunt vormt en hoe dat ene leven voor die mens het belangrijkste is van alle levens op deze planeet.
Mensen observeren stimuleert ook mijn fantasie meer dan eender welke andere bezigheid. Want over elke passant verzin ik in een oogwenk een verhaal, bij elke voorbijganger schrijf ik in gedachten een compleet scenario, met de nodige tragiek, de ups en de downs. Ik raad naar het bestaan zoals die ene mens het beleeft, naar de wereld waarin hij zich beweegt, en overtuig mezelf ervan dat al wat ik verzonnen heb waar is.
Die ene man met de bedenkelijke blik, de man die vanmorgen vergeten is zijn haar te kammen, die heeft net zijn ontslag gekregen. Hij heeft geen idee hoe het verder moet. Dat meisje met het zwierige rokje is verliefd. Leeft met haar hoofd in een hemel die alleen verliefden kunnen bezoeken, denkt dat dit voor altijd zo zal zijn. En het oude dametje met de puppy verbijt haar eenzaamheid in stilte na de dood van haar man, zoekt troost bij haar jonge hondje, doordrenkt elke avond zijn vacht met haar tranen.
Soms zal ik de bal compleet misslaan bij al deze verhalen, soms zal de werkelijkheid min of meer met de fantasie samenvallen, soms zal de waarheid mijn fantasie nog overtreffen. Maar boeiend is het wel, want elk mens staat voor een geschiedenis, een avontuur doorheen de dagen die zijn leven telt, met obstakels, diepe dalen en onverwachte hoogtes. Elk mens is interessant.
En zo zat ik vanmorgen in de koffiebar van het ziekenhuis, net naast de ingang, voor een groot raam, met mijn eigen verhaal dat ik even achter me liet. Het onderzoek in de scanner was voorbij, de radiologen hadden niet willen verklappen wat hun apparatuur geregistreerd had, nog enkele dagen wachten, het was iets over tienen en ik had niet mogen ontbijten vooraf, wat me zwaar was gevallen. En dus bestelde ik een cappuccino, genoot van elke hap die ik eindelijk met permissie naar binnen mocht werken, en observeerde ik de naar binnen en naar buiten stappende mensen. Hier en daar een bezoeker, maar toch vooral patiënten, elk met hun eigen verhaal.
Ik zag een zwangere vrouw die met onzekere benen het ziekenhuis verliet, de haren gedrapeerd voor haar gezicht. Ze kromp ineen. Haar partner legde zijn arm om haar schouder, trok haar dicht tegen zich aan, fluisterde iets in haar oor, maar ze leek ontroostbaar. De vrouw zwalpte over het plein, het leek of haar benen het zouden begeven, alsof ze zich zomaar ineens op de grond zou werpen en finaal in brullen zou uitbarsten. Maar ze bleef stappen, dapper, moeizaam, snikkend. En de man stapte met haar mee, voorzichtig, alsof hij een fout zou kunnen maken waardoor het nooit meer goed kwam, een verkeerde stap die al het geluk voor altijd zou verzwelgen. Ik stelde me voor hoe dit paar net te horen had gekregen dat het kind waar ze zo naar uitgekeken hadden een ernstig gebrek vertoonde. En ik voelde zelf de pijn, hoewel dit verhaal misschien geen enkel raakvlak kende met de werkelijkheid. Wat kon ik nou weten over deze mensen?
Een vrouw in een snoepjesroze kamerjas keek hen na. Ze rolde een infuus met zich mee over het plein. Haar ogen stonden dof, haar huid had de kleur van bleke as, tussen haar trillende vingers balanceerde een sigaret. Even kon ik het beeld van de sigaret niet rijmen met het infuus, vroeg ik me af waarom mensen die met de broosheid van hun bestaan geconfronteerd worden toch doorgaan met zulke nefaste gewoonte, maar dan probeerde ik me in te leven in de aan nicotine verslaafde medemens en probeerde ik te begrijpen hoe dat witte rokende stokje als houvast moest dienen en hoe dat net in onzekere tijden zo noodzakelijk kon zijn.
Een jongetje liep de hal in. Hij moest een jaar of zes zijn. Zijn ene been had de normale proporties, zijn andere been was drie keer zo dik. Een monsterlijk been. Hij sleepte zich voort, een grote glimlach op zijn gezicht. Zijn moeder sjokte achter hem aan, de ogen strak gericht op het scherm van haar smartphone. Ze keek niet op, alsof dit ziekenhuis de plek was waar ze dagelijks langs kwam en ze blindelings de weg wist. En misschien was dat ook zo. Een been dat als een last meegesleept werd en toch gewoon was geworden.
In de verte naderde een bejaard stel. De man kon zich nauwelijks overeind houden, de vrouw boog liefdevol onder zijn steunende gewicht, als een tak die doorbuigt maar dapper het gewicht blijft dragen dat hem nodig heeft. Ze kruisten een jongeman op krukken. Hij pauzeerde even, verzamelde moed, verplaatste zich weer enkele meters en hield dan weer halt. Ik stelde me de uitputting voor die hij moest voelen, de eenzaamheid terwijl elke meter voorwaarts een overwinning betekende.
Mensen kwamen binnen of gingen naar buiten en ik vroeg me af hoeveel leed ongemerkt samenkwam op deze vierkante meters ziekenhuisgrond, hoeveel trieste verhalen hier dagelijks werden geschreven, hoeveel levens op deze plek een nieuwe wending kregen en hoeveel opluchting ervaren werd wanneer het woord negatief door een doktersmond uitgesproken werd en dat alleen maar positief kon genoemd worden.
Ik dronk mijn laatste slokje koffie, stond op, liep naar buiten, ging de fietsenstalling binnen. Daar draaide ik de hoek om en kon nipt een botsing ontwijken met een man die uit de andere richting kwam. We hielden beiden abrupt de pas in, zetten een stap achteruit, en lachten even naar elkaar. Het soort lach waaruit zowel verontschuldiging spreekt als sympathie. En ik fietste in een zacht briesje naar huis, terwijl ik me ook het leven van deze glimlachende man voorstelde, de plek waar hij woonde, het werk dat hij elke dag deed, de vrouw die hij liefhad en de reden die ook hem naar het ziekenhuis had gebracht. Ik bedacht dat ik zelf binnen enkele dagen te horen zou krijgen welk mysterie mijn eigen lichaam aan de scanner had prijsgegeven en dat ook ik mijn eigen verhaal schrijf, mijn eigen bestaan, net als elk ander mens, dat ook andere mensen zich een hele geschiedenis voorstellen wanneer ik voorbijkom, wanneer ik zelf de voorbijganger ben.
En hoe boeiend dat allemaal is, hoe boeiend elk mens is gewoon door te zijn.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPin on Pinterest
Nog geen reacties

Geef een reactie