Blog

De supervrouw

‘Maar hoe doe jij dat toch, Eveline?’

Het is een vraag die me zowat dagelijks gesteld wordt. Meestal komt ze van collega’s. Met een stapel toetsen of taken in de hand hollen ze me in de leraarskamer voorbij, waarna ze plots halt houden, alsof de vraag hen net te binnen schiet in die ene flits. Vaak fronst de vraagsteller op dat moment zijn wenkbrauwen in een sierlijk boogje en kijkt hij me wat meewarig aan, zijn mond half open gesperd, in een soort van stand-by-stand, alsof er eigenlijk niet echt een antwoord van me verwacht wordt, alsof mijn gesprekspartner het eigenlijk zelf wel al weet.

‘Deeltijds lesgeven, een gezin met drie kinderen, een man die de helft van het jaar in het buitenland zit en dan nog boeken schrijven ook? Dat kan toch niemand combineren?’ De intonatie van die laatste woorden heeft altijd iets speciaals. Een stijgende toon die ongeloof aangeeft, achterdocht of een hang naar het achterhalen van een of ander groot geheim. Op die momenten zet een lichte vorm van paniek in me op. Een beklaagde in het aanschijn van de rechter. De golf rolt zich een weg door mijn slokdarm en ik krijg het even moeilijk met slikken.

‘Supervrouwen bestaan niet.’ Ik zie de zin geschreven staan op het voorhoofd van de collega die me aanspreekt. ‘Ik zou dat niet kunnen, hoor. Zoveel voorbereidingen, al die verschillende lessen. En die verbeteringen dan! Tot elf uur, hé, gisterenavond! En in de weekends zijn er boodschappen te doen, basketmatchen, zwemwedstrijden, verjaardagsfeestjes …Ik cross de hele zaterdag alleen maar met de auto rond. Weet je dat ik zelfs alleen in de vakanties nog eens een boek kan lezen? Dat zelfs dat me niet lukt? ’ Ik zie het denkproces in de hersenen van de collega gewoon voor me, ik voel de redenering die achter de schijnbaar achteloos gestelde vraag zit, de verdachtmaking die nooit actief uitgesproken wordt. Na het wegebben van de eerste paniekgolf, het wegslikken van de prop opgehoopt speeksel, kijk ik de vraagsteller doorgaans met verzamelde moed recht in de ogen. ‘Ja, de weekends in een gezin met kinderen zijn druk. Heel druk. Dat is waar. Maar op zondag sta ik wel om zes uur op om te werken.’ ‘Om zes uur? Op zondag? Dan blijf ik toch wel minstens tot negen uur in bed liggen, hoor!’

Vaak valt op die momenten een stilte, de tijd die nodig is om de machine die we hersenen noemen weer even te laten werken, verbanden te laten leggen en conclusies te laten trekken. Het geroezemoes in de leraarskamer wordt tijdens die stiltes alleen maar versterkt, de nerveuze stappen van collega’s die nog snel een kopie moeten gaan maken of die een nota moeten schrijven in de agenda van een leerling die hen een half uur daarvoor ‘ouwe zaag’ heeft genoemd. En kijk jij ook al zo uit naar de paasvakantie?’ vraag ik vervolgens aan diezelfde collega. ‘Nog enkele weken en het is weer zover, hé.’ ‘O, ja, de paasvakantie. Natuurlijk snak ik daarnaar. Twee weken aan een stuk eindelijk weer eens wat boeken lezen, een reisje naar de Somme met de familie, lekker lang uitslapen, luieren in de zon.’
‘Leuk.’
‘Heb jij ook al plannen voor die twee weken?’
‘Plannen? Ja ja! Schrijven, hé.  Eindelijk nog eens goed doorschrijven. Zonder te moeten denken aan school. Vroeg opstaan en aan de slag gaan voordat de kinderen hun bed uit rollen.’ De ogen van mijn collega worden steeds groter, alsof alle antwoorden die ze wilde hebben in die oogbol samengebald worden tot een geheel van ongeloof en geloof tegelijk.

Dan krimpen de ogen opnieuw ineen en voel ik een hand op mijn onderarm. ‘Zeg, Eveline, zou je me je examen voor het vijfde jaar nog eens willen doorsturen als je de tijd vindt? Ik kom er niet toe om dat examen te maken en ik weet dat jij het al sinds vorige week klaar hebt. De leerlingen hebben het me gisteren verteld.’

‘Oké, geen probleem. Tegen wanneer zou je het willen?’ ‘Vandaag nog misschien?’ En terwijl mijn hart klopt als een gek, bedenk ik dat ik niet mag vergeten nog een luistertoets te geven in die ene klas, de rapporten in te vullen voor die andere klas, dat mijn oudste kinderen op weekend vertrekken met de jeugdbeweging, dat mijn dochter daarvoor ‘foute fitnesskledij’ moest hebben met veel fluo, dat ik nog geen groenten heb voor het avondeten, dat ik nog de synopsis van mijn boek moet doormailen naar een journalist, dat een andere journalist vanavond langskomt voor een interview over mijn nieuwe roman en dat ik morgen op mijn vrije dag naar Gent moet voor een workshop.

Nee. Supervrouwen bestaan alleen in sprookjes. Vrouwen die langzaam gek worden, die bestaan wel. In het echt.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPin on Pinterest

1 reactie aan “De supervrouw”

  1. Sabine Van Laere 17 oktober 2013 at 15:28 #

    Een nogal late reactie op een te late ontdekking van je blog….:
    Het antwoord naar je collega’s toe lijkt me toch voor de hand liggend? “Je bent halftijds leerkracht en halftijds auteur”. Voilà!!
    Doe zo voort en kijk niet om, Eveline! Wa je graag doet, doe je beter…

Geef een reactie