Blog

De pestkoppen

Ik kreeg het ijskoud en het leek alsof een snoer zich rond mijn hart aanspande, steeds strakker, toen ik het verhaal las van Evaëlle, een Frans meisje van elf. Eind juni stapte ze uit het leven na zware pesterijen op school. Zelfs de juf had haar geviseerd.

Ik voelde alles opnieuw. De onmacht, de wanhoop, de uitsluiting. Ik hoorde de woorden van mijn pestkoppen weerklinken: ‘Ga weg, nee, je speelt niet met ons mee, we moeten je niet hebben.’ 

Woorden die ik sinds mijn derde elke dag hoorde. Mijn hele kindertijd lang. Tot het op mijn vijftiende abrupt ophield, wanneer mijn zelfbeeld zich al gevormd had met alle destructieve krachten die erop hadden ingehakt. Want na een tijd geloofde ik het allemaal. Ik hoorde er niet bij, ik was een nietsnut, ik was geen vriendschap waard. 

Geen enkele juf of leraar greep in. Ze keken toe vanop een afstand, hoorden de verwijten en draaiden het hoofd. Allemaal.

Op mijn dertiende werd ik bijziend. Ik kreeg een bril, mijn zicht ging verder achteruit en op een dag vond ik een boek dat een nieuwe methode aanreikte. Bril en lenzen moesten weg. Oefeningen zouden me mijn zicht teruggeven. Ik was vastbesloten het te proberen, ging aan het oefenen, zat op de eerste rij in de klas en kon nog altijd het bord niet lezen, maar ik zette koppig door. En dus verloor ik mijn naam en werd ik “de blinde”. Ik weigerde de bril te dragen die me van mijn naam had kunnen afhelpen, en gaf de kinderen rondom me daarmee alleen maar munitie. ‘Blinde, blinde.’ Ze scandeerden het, prikten met hun passers in mijn rug, draaiden het ventiel van mijn fietsbanden los, liepen weg met mijn muts en zetten ze vol ijs terug op mijn hoofd. Ze gooiden mijn boeken door het raam, verstopten mijn etui, mijn hele boekentas, trokken aan mijn haar. De leraars zagen het, hoorden het. Ze waren potdoof en een pak blinder dan ik. De jas die mijn moeder voor me genaaid had verdween spoorloos. Tijdens de turnles legden mijn klasgenoten al mijn kleren onder de douche. De sportleraar was woedend. Hij had geen oplossing, stuurde me naar de directeur. Die zei dat ik hem alleen maar last bezorgde en dat ik in mijn turnkledij naar huis moest fietsen. Het was winter.

De wiskundeleraar zweepte elke week de klas verder op. Zelf keek hij zo scheel dat we nooit een idee hadden wie moest antwoorden wanneer hij naar ons keek. Een blinde in de klas was een geschenk. Toen ik even naar buiten staarde, werd hij woedend. Hij kwam voor mijn bank staan, zijn hele lijf trilde. ‘Waarom kijk je naar buiten? Je ziet toch niets, jij, blinde.’ Hij gooide zijn bril met de visbokaalglazen in de vuilnisbak, kwam nog dichter tegen mijn bank staan, bloedrood. ‘Ik zie jou zonder bril. Maar jij ziet mij niet, hé, blinde?’

De klas schaterde het uit, na de les namen twee jongens me vast in de gang, stompten me in de buik. Tot de studiemeester binnen kwam en hen bij de kraag vatte. Ze kregen strafstudie. 

Ik was veertien. Hij was de eerste volwassene die het op school voor me opnam. Voor het eerst werd iemand gestraft.

We zijn meer dan dertig jaar later. Ik heb een lange weg afgelegd. Een zelfvertrouwen dat totaal was verwoest moest heropgebouwd worden. Ik weet dat mijn leven er anders had uitgezien als het niet was gebeurd, dat ik andere keuzes had gemaakt. 

Ik ben nog steeds hooggevoelig. Dat is een mens voor altijd. Maar ik bijt van me af wanneer dat nodig is. Ik heb een gezin en een vriendenkring opgebouwd, ik geef les, sta zelfzeker voor de klas. Mijn voelsprieten steken er altijd uit. Ik weet wie de potentiële pestkoppen zijn. Ik herken ze, ruik ze van uren ver. Maar ik geef ze geen kans, grijp hen direct bij de kraag, en vraag hen hoe ze zich zelf zouden voelen.

Want een gepest kind is een gepest kind voor altijd. Ergens gaat het nooit meer helemaal over. Eén artikel in de krant en alles is terug.

Nog geen reacties

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.