Blog

De ongrijpbaarheid van de tijd

Eens hadden we zoveel plezier gemaakt, zij en ik. Met onze klas van het zesde Latijn waren we naar Duitsland getrokken. We hadden er als een bende halve garen condooms over ons hoofd getrokken op een nachtelijk terras en er liederen gebruld terwijl we door de straten marcheerden met een air alsof de wereld aan onze voeten lag.
Samen hadden we gedroomd over een betere wereld en even hadden we overwogen lid te worden van Greenpeace om er ook zelf iets aan te doen.
Tot we ontdekten dat het lidgeld ons budget overschreed en we het hielden bij T-shirts met opschriften die vertelden dat onze ‘body in danger’ verkeerde en dat er ‘No time to waste’ was.
We hielden geanimeerde discussies over wat in de wereld gebeurde, waren geschokt toen Chinese studenten gedood werden door tanks en toetsten onze meningen en dromen aan elkaar af.
En toen was de middelbare school uit. Zij ging archeologie studeren, ik Frans en Italiaans. Het begin van de rest van ons leven. We liepen elkaar een paar keer tegen het lijf in Leuven en raakten elkaar weer kwijt, zoals dat zo vaak gaat met mensen die het lot naar ons toegeworpen heeft en die we niet stevig genoeg vastgrijpen.
En dan ineens, een paar weken geleden, beslisten we een afspraak te maken. We zouden elkaar terugzien. Bijna dertig jaar bestaan zouden we elkaar toevertrouwen. De hoogtes en de laagtes, de pijn, het verdriet en de vreugde die het lot ons toebedeeld had.
We spraken af in een bar op de voorlaatste dag van het jaar. De meisjes van achttien waren zesenveertig geworden. Littekens hadden zich in onze zielen gekerfd, maar de band die ons verbond bleek onbeschadigd.
Urenlang bleven we praten. Toch konden we slechts een fractie uit drie decennia vertellen. Het was laat, ons bed wachtte. Ook ons lijf was duidelijk geen achttien meer. En dus spraken we af om elkaar terug te zien voor het vervolg van ons verhaal, dat hobbelige parcours dat ons gemaakt had tot wie we waren.
Ik reed naar huis terwijl de echo’s van haar stem in mijn hoofd weerklonken, de woorden waarachter haar waarheid zich al die tijd had verscholen.
De straten waren leeg en verlaten, alsof iedereen de wereld ontvlucht was. Op de radio klonk een lied waar we ooit samen uitbundig op hadden gedanst, niet wetend wat de toekomst ons brengen zou, en ik vroeg me af of we evenveel plezier zouden beleefd hebben als we in onze jeugdige onschuld zicht hadden gekregen op de vlakte die zich voor ons uitstrekte, met al haar pieken en dalen.
Nee, natuurlijk zou het plezier vergald zijn geweest. We zouden leuke momenten als vanzelfsprekend omarmd hebben en het verdriet van ons weg hebben willen duwen of gepoogd hebben er omheen te laveren. En toch waren zowel vreugde als verdriet noodzakelijk geweest om ons te polijsten tot dat ene unieke exemplaar van de menselijke soort.
Zesenveertig jaar. Wat leek me dat ineens veel. Misschien zou morgen alles voorbij zijn, misschien waren we net halverwege en strekte een even grote vlakte zich nog eens voor ons uit.
De nacht lag voor me. Op de snelweg sneed het licht van mijn koplampen doorheen de duisternis, baande het zich een weg door het grote onbekende dat me wachtte. Het begin van de rest van mijn leven. En ik dacht na over het eeuwigdurende nu dat, zodra we het willen grijpen, alweer tot het verleden behoort. Ik bedacht hoe elke nieuwe seconde de vorige alweer naar het verleden verwijst, hoe dat proces nooit zou ophouden en we de tijd nooit zouden kunnen grijpen omdat hij alweer verder was gegleden.
Ik zette de radio iets harder, voelde het leven door mijn aderen stromen, en dacht: laat maar komen. De dag van morgen en alle dagen die nog mogen volgen. Laat het leven dat me wacht zich maar ontvouwen. Zowel de vreugde als de pijn hebben me veel geleerd. Ik wil nog heel veel leren.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPin on Pinterest
Nog geen reacties

Geef een reactie