Blog

De klasfoto

We hadden elkaar niet meer gezien sinds ons elfde. Op een bepaald moment waren we terug gelinkt via Facebook en zag ik foto’s van haar, las zij teksten van mij, maar daar was het bij gebleven.
Tot ik ineens het idee opperde na al die tijd eens samen te komen voor een babbel en we dat allebei meteen heel spannend vonden.
We spraken af voor een kop koffie en op de dag van de afspraak fietste ik half zwevend naar de plek waar we elkaar zouden zien. Ergens wist ik dat deze vrouw, die in mijn herinnering het symbool was van elegantie en van zachtheid, niet alleen uiterlijk even mooi was gebleven, maar dat ze dat ook vanbinnen nog zou zijn.
Ze was er al toen ik aankwam, ik herkende haar meteen en we vlogen elkaar zo spontaan en zo liefdevol in de armen dat de mensen aan het tafeltje naast ons eerst verwonderd opkeken en dan vertederd lachten.
Ze was inderdaad een mooi mens gebleven, vanbuiten en vanbinnen, en na de allereerste woorden die we uitwisselden voelde ik al hoe de zesendertig jaren die ons scheidden geen enkele scheidende kracht bezaten, hoe de band tussen onze kinderzielen ongehavend was gebleven.
We vertelden over ons leven zoals het geworden was, over onze zonen en dochters en over het onvermijdelijke verglijden van de tijd.
En dan ineens toonde ze een klasfoto op haar smartphone. Een groep meisjes van tien. Kinderen die dachten dat mensen van zevenveertig alle antwoorden kenden op de grote vragen van het leven. Op dat moment hadden we geen idee dat we ooit zelf zevenveertig zouden worden, dat we ook dan nog altijd niets van het leven zouden snappen en dat we ons zouden blijven afvragen wanneer we ooit volwassen zouden worden.
Een voor een overliepen we de meisjes op de foto. We vertelden wat we nog over hen wisten, schaterden bij enkele anekdotes en voelden compassie toen we dat ene kind aanwezen dat er steevast onverzorgd bij liep, dat zelfs door sommige juffen openlijk werd verstoten en dat luizenkop genoemd werd, omdat het niet de kansen kreeg in het leven die ons toebedeeld waren.
Uiteindelijk bekeek ik ook mezelf. Het kind naast de juf. Ik vergrootte het beeld, verwonderde me over het guitige gezichtje, en ik kreeg een bevreemdend gevoel. De glunderende ogen die me aankeken correspondeerden op geen enkele manier met de herinneringen die ik met me meedroeg.
Was ik niet het kind dat altijd alleen rondliep op de speelplaats, dat met niemand mee mocht spelen en zowat elke pauze stond te huilen omdat het uitgesloten werd? Had ik in die jaren echt ooit gelachen?
Ik vroeg mijn oud-klasgenote hoe ze me zich herinnerde en luisterde met open mond toen ze het beeld schetste van een stil en teruggetrokken kind waar toch niet zomaar mee te sollen viel. Een kind dat van zich af beet wanneer dat nodig was en een duidelijke eigen mening had.
Even begreep ik er niets van. Dan begreep ik dat ons geheugen ons constant bedriegt, dat we accenten leggen die het hele verleden door een nauwe tunnel leiden en dat we op die manier zoveel moois vergeten omdat het niet door de tunnel past.
Ik genoot van de wind die mijn haren optilde toen ik naar huis fietste, ik genoot van de opwinding die elke vezel in me deed trillen. Niet alleen had ik urenlang gepraat met iemand die mijn leven weer wat rijker had gemaakt. Ook had ik ontdekt dat het gepeste kind dat ik ooit geweest was nu en dan had gelachen.
Dat guitige gezichtje, de lach van een kind dat vijf minuten daarvoor iemand een poets had gebakken. Ik was het niet en ik was het wel. Het leek een wonderlijke ontdekking.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPin on Pinterest
Nog geen reacties

Geef een reactie