Blog

De illusie van onverwoestbare vriendschap

In een vleesfabriek, tussen het wansmakelijke decor dat karkassen van uiteengereten koeien nu eenmaal vormen, daar hadden we elkaar leren kennen. We waren achttien en in ons jeugdige enthousiasme hadden we allebei de verkeerde vakantiejob aangenomen. Zij was op de koop toe vegetariër. In een temperatuur van nul graden bloedden onze vingers toen we als bezetenen stukken vlees en repen paprika op een stokje moesten prikken, aan een lopende band die steeds sneller aan ons voorbijging. De slavendrijver aan het eind van de band riep dat het niet snel genoeg ging, dreef de snelheid op en we prikten onze vingertoppen almaar meer. Buiten scheen de zomerzon, binnen wreven we onze handen warm.

Na een paar dagen hielden we het allebei voor bekeken. Geld verdienen zouden we later wel doen. Op een andere manier liefst. We wisten meteen weer waarom we verder studeerden.

Maar onze vriendschap, die was voor eeuwig. Ik had een hartsvriendin gevonden, zo’n echte, zo eentje waar je alles mee deelt en die je nooit laat stikken, ook niet als het slecht gaat.

Na die vakantie zagen we mekaar terug in Leuven, waar zij Chinees studeerde, ik Frans en Italiaans. Er was iets unieks tussen ons, een vriendschap waarbij een half woord de inhoud van een heel boek kan omschrijven.

Na haar studies ging ze voor enkele jaren in China wonen met haar man. Ik bleef hier. We schreven mekaar brieven, lange brieven, waarin ik haar belangwekkende feiten vertelde. Dat ik die dag spaghetti gegeten had, dat het zeventien graden was, en dat mijn eerste kind was geboren.

Ze kwam terug naar België, kreeg ook een kind, ik kreeg een tweede. Vaak belden we urenlang naar elkaar. Soms huilden we, wanneer het leven weer eens te streng voor ons geweest was, een andere keer gierde onze schaterlach zo scherp door de hoorn dat we de telefoon iets verderaf moesten houden om gehoorschade te voorkomen.

En dan, op een dag, ging haar kind dood.

Haar zus vertelde het me aan de telefoon. Ik schreeuwde het uit van onmacht, zocht naar een manier om haar dochtertje terug te brengen op aarde en besefte dat dat onmogelijk was, dat alleen mijn woorden en mijn aanwezigheid iets zouden kunnen doen om het leed te verzachten dat niet te verzachten viel, dat ik de allerbeste vriendin voor haar moest zijn, dat ik niet mocht falen.

Ze krabbelde overeind, zoveel sneller dan ik verwacht had, beviel minder dan een jaar na de dood van haar dochtertje opnieuw van een dochter, een paar jaar later ook van een zoon. De foto van haar eerste kind bleef op vele plekken aanwezig in huis, het verdriet zat vlak onder haar huid, maar ze kon weer genieten. We gingen uit eten met onze mannen, net zoals vroeger, kregen de slappe lach en stikten bijna in ons plezier. Ik was gelukkig wanneer ik bij haar was, ik kon mezelf zijn, haar vertellen wat me bezighield, luisteren naar haar en ontdekken dat ik zovele dingen op dezelfde manier zag als zij.

En toen stierf ook haar zoon.

Op de begrafenis stond zijn loopfietsje tegen het altaar. Telkens mijn blik het ding ontmoette waarop ik hem zo vaak had zien fietsen, werd ik opstandig. Ik vroeg me af hoe ik mijn vriendin ooit nog onder ogen kon komen met mijn drie gezonde kinderen. Zij had er nog eentje.

Alweer krabbelde ze verbazend snel overeind. Ik kon het niet geloven. Zoveel kracht in zo’n tengere vrouw. We belden hele avonden naar elkaar, gingen uit, lachten opnieuw om kleinigheden, alsof er nooit iets gebeurd was. Op onbewaakte momenten werd ze overspoeld door verdriet. Dan zocht ze haar heil in meditatie, in boeken over rouw en in het uitspreken van het gemis, en dan luisterde ik, probeerde ik de juiste woorden op de juiste momenten uit te spreken, vroeg ik me vertwijfeld af of ik het niet verkeerd aanpakte, of mijn woorden haar verdriet niet erger maakten in plaats van het te verzachten.

Ze had steeds meer commentaar op me, op mijn manier van leven, op de inrichting van mijn huis, op al wat ik deed. Ik slikte haar woorden door en zweeg. Ze had het moeilijk. Ze had twee kinderen verloren. Ik moest de kritiek kunnen verdragen.

Nog pijnlijker werd het wanneer ze het steeds meer over andere bevriende stellen had en over het plezier dat ze samen beleefden, over de etentjes die ze met hen organiseerde en over het nieuwe servies dat ze gekocht had omdat de man van het genodigde stel een diplomaat was. Ik hoorde een ondertoon in haar woorden die ik probeerde te negeren en suste mezelf met de wetenschap dat vriendschap niet exclusief mag zijn, dat ze alle recht had om ook andere vriendinnen te zien.

En dan ineens werd het stil. Ze liet niets meer van zich horen. Telkens ik haar zelf opbelde, had ze geen tijd. Soms beloofde ze terug te bellen. Dan wachtte ik een week of twee en probeerde het opnieuw. Er was iets gaande. Ik voelde het, maar ik kon er de vinger niet op leggen, had geen idee wat ik verkeerd gedaan kon hebben.

Nadat ik haar voor de veertiende keer aan de lijn kreeg, zei ze:  ‘Bel me niet meer op. Ik heb het ineens weer te moeilijk. Je moet wachten tot ik zelf terug contact met je opneem. Pas dan ben ik er weer klaar voor.’

Ik begreep er niets van, wist niet welk nieuw element de aanleiding geweest was voor deze ommezwaai, zag op Facebook via het profiel van haar man de foto’s waarin ze plezier had met andere vrienden.

En ik wachtte, zoals ze me opgedragen had, in de wetenschap dat ik het zelf niet meer in de hand had. Ik wachtte. Maandenlang. In een stilte die pijn deed.

Een half jaar hield ik het vol. Dan stuurde ik haar een mail, een vraag om duidelijkheid.

Het antwoord kwam een paar dagen later. Het was kort, bondig, hard.

‘Ik heb je niet meer nodig. Ik voel me niet meer goed bij jou.’

Ik las de mail opnieuw en opnieuw, hoopte dat mijn ogen me bedrogen. Maar na een tijd zag ik dat het echt was.

Urenlang bleef ik huilen.

De eerste weken hoopte ik nog dat ze het als een vergissing zou zien, de hartsvriendin die ik als een juweel had gekoesterd, dat ze op een dag zou bellen en dan zou zeggen: ‘Het was maar een grapje’. Maar tegelijk wist ik dat haar beslissing definitief was, dat dergelijke grapjes nu eenmaal niet bestaan, dat ze ook niet meer terug zou kúnnen komen omdat ik al het verdriet dat zich opgestapeld had, niet meer naast me neer zou kunnen leggen.

Het is twee jaar geleden nu. Ik heb haar nooit meer gehoord. Niemand heeft haar plaats ingenomen in mijn leven. Ik denk ook niet dat dat nog kan. Soms, als het me echt teveel wordt, kijk ik eens naar haar gloednieuwe profiel op Facebook. Ze heeft het goed afgeschermd. Alleen die ene foto kan ik zien. Ze glimlacht, een tikkeltje mysterieus. Een Mona Lisa, waarvan ik het mysterie nooit zal kunnen doorgronden.

En dan huil ik. Om alles wat geweest is. En om alles wat nooit meer zal zijn.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPin on Pinterest

3 reacties aan “De illusie van onverwoestbare vriendschap”

  1. Jacques 9 september 2013 at 14:02 #

    Wat je meemaakte is jammer genoeg zo herkenbaar… Maar dat is geen troost

    Ik ben al het ‘facebook-en-google-stadium’ voorbij, na jàren, net omdat het telkens zo’n pijn deed…

    Het slijt, maar verdwijnt nooit.
    Sterkte.

  2. Vanessa 20 augustus 2016 at 16:01 #

    Wat ongelofelijk mooi geschreven, maar ook diep intriest…. en herkenbaar…

  3. schrijfselssite 21 augustus 2016 at 13:26 #

    Een heel triestig verhaal met verbluffende schoonheid beschreven.

Geef een reactie