Blog

De andere wereld

Meer dan twee weken is het geleden. Het lijkt zoveel verder weg, een gebeurtenis die zich afgespeeld heeft in een andere wereld, dat universum dat we vroeger hebben gekend en dat er nooit meer zal zijn.
De meesten van ons werden wakker in onwetendheid. Even nog leefden we in de veilige waan van een vredig Europa, dat deel van de wereld dat ooit zijn oorlogen gekend had, in een verleden dat het onze niet meer was. Dan hoorden we de radio, checkten we het internet en was niets meer zoals voorheen. Onze vrijheid leek aan diggelen geslagen, onze naïviteit opgeslokt door het monster dat we IS hadden genoemd, Daesh of ISIS. Ooit was Isis een godin geweest, een heelmeesteres. Wat leek die tijd nu veraf.
Het nieuws beheerste het weekend. We hoorden cijfers over slachtoffers, verhalen over verloren geluk, over gebroken families, en we schoten collectief in een Fransminnende kramp. We baden voor Parijs, kleefden een Franse vlag op ons Facebookgezicht en spraken onze afschuw uit.
Het besef leefde dat we balanceerden op een grens. Er was de tijd voor en de tijd na. 13 november had de overgang gemarkeerd van oud naar nieuw, van argeloosheid naar wantrouwen en gevaar.
Natuurlijk kenden we de gruwel van IS al een tijd. De zelfmoordaanslagen in Irak, de executies in Afghanistan, de verwoestingen in Syrië. We kenden de meedogenloosheid van zelfverklaarde strijders ver van ons, de ellende die ze zaaiden. Het had ons nooit geraakt zoals het nu deed. Want ineens was de gruwel zo dichtbij, drong het besef door dat dit ook bij ons kon gebeuren, dat de slachtoffers onze kinderen konden geweest zijn, onze ouders, onze vrienden, misschien wel wijzelf.
In een poging de kalmte te bewaren spraken we over verbondenheid, over solidariteit, verdraagzaamheid en het vermijden van polarisatie. We geloofden wat we zegden, geloofden elk woord dat naar vrede rook.
Moslims namen afstand van hun extremistische geloofsgenoten en verkondigen dat de wrede God van de zelfmoordenaars niet die van hen was. We luisterden naar hen en knikten. We zouden niet oordelen op basis van ras of geloof. We waren allemaal mensen, zouden niet in de val trappen die enkele onmensen voor ons hadden geplaatst.
Franse journalisten richtten hun pijlen op ons land, daarna journalisten van overal. De kern van het kwaad bleek vlakbij, dichter dan Parijs ooit geweest was. Het monster had Brussel in zijn macht.
Er werden raids uitgevoerd, arrestaties verricht. Sportwedstrijden werden afgelast, metro’s stonden stil, concerten werden uitgesteld, winkels sloten hun deuren, musea bleven dicht.
Nee, we zouden ons niet laten doen. De terroristen zouden ons leven niet beheersen. Maar ondertussen bewogen we ons voort door de stilte van een verlaten stad, trokken we ons terug in de veilige cocon van ons huis en omhelsden er onze geliefden.
We droomden van een terugdraaiende klok, van een wereld zonder geweld, van alleen maar goede mensen en van vertrouwen in iedereen. Het leek alsof het paradijs ons had verlaten, alsof we het nooit naar waarde hadden geschat.
Dag na dag leerden we leven in deze nieuwe wereld, die nooit meer veilig leek te zullen worden, een wereld van dreigend gevaar. Toch wisten we dat het leven ooit opnieuw zou moeten beginnen. Stilstaan was geen optie. De wereld draaide door.
We namen de draad aarzelend terug op. We pendelden opnieuw naar een belegerde stad, stapten met knikkende knieën in de metro en keken schichtig om ons heen. We wantrouwden de gekleurde medemens met rugzak die even verderop zat, verweten onszelf meteen dat we toch in de val waren getrapt, dat onze idealen van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid aangetast waren door de werkelijkheid zoals die was geworden, dat angst sterker is dan vertrouwen. We stelden vast dat we dezelfde niet meer waren, dat niet alleen de wereld om ons heen een klap had gekregen, dat geluk nog brozer was dan men ons altijd had verteld.
Toch kwamen we veilig aan op het werk. We maakten een praatje met collega’s, lachten om hun moppen, gierden het uit. Een dubbel gevoel bracht ons in verwarring: alles was veranderd, maar tegelijk eigenlijk niets. We stelden vast dat ons leven zijn gangetje ging zoals het dat ook maanden geleden had gedaan, dat ons bestaan ons bestaan was gebleven.
En we keken weer vooruit, naar de toekomst, in de hoop dat teveel ongeluk ons bespaard zou worden. We leefden op vertrouwen en op hoop, zoals we dat altijd hadden gedaan. Want we waren veranderd en toch ook weer niet. Dit was onze wereld. En dat zou hij altijd zijn.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInPin on Pinterest
Nog geen reacties

Geef een reactie