Blog

Blauwgroene ogen

Ik was vijftien. We logeerden in een vakantiedorp aan de Middellandse Zee waar palmbomen wuifden op het ritme van de zeebries en de lucht geurde naar lavendel en rozemarijn. De eerste ochtend al werd ik opgenomen in een groepje Franse vrienden. Een van hen was Olivier. Hij was onwezenlijk knap, groot en slank, maar vooral had hij donkere ogen die dwars door me heen leken te kijken. De volgende dagen week hij geen moment meer van mijn zij. We liepen stiekem weg van de anderen, ploften ons neer in de duinen en bleven urenlang praten en lachen. Nu en dan staakte hij het gesprek. Dan boorde zijn blik zich in die van mij en zei hij: ‘T’as de beaux yeux.’ Hij zei het tien keer, honderd keer, duizend keer, en bij elke herhaling leek de zon iets harder te branden. ’s Nachts droomde ik met open ogen van die eerste kus, die nu niet meer veraf kon zijn. 

Olivier was galant. Hij droeg mijn strandtas naar zee, spreidde de handdoek voor me uit, kocht me ijsjes en gesuikerde pindanoten en bleef maar herhalen dat hij verdronk in mijn blauwgroene ogen, de mooiste kleur die hij ooit had gezien. Nu en dan kwamen we gevaarlijk dicht bij elkaar, maar geen van ons durfde de stap te zetten, alsof net daarmee de betovering kon worden verbroken.

Het was de vierde dag van onze vakantie toen mijn vader naar het thuisfront belde. Mijn grootmoeder was stervend. We moesten direct naar huis. Dezelfde dag nog pakten we onze koffers. Ik noteerde het adres van Olivier en hij noteerde het mijne, ik keek nog één keer in zijn donkere ogen en stapte in de auto. Duizend kilometer lang bleven de tranen stromen. 

We schreven elkaar. Brief na brief. Vertelden hoezeer we elkaar misten. Ik stelde me voor hoe hij door Parijs liep, de handen in de zakken, zich niet bewust van alle meisjesblikken die op hem rustten. Ik stelde me voor dat ik naar hem toe ging.

De brieven werden korter, de tijd ertussen langer. En op een dag hield het op.

Olivier leidde zijn leven, ik het mijne.

Het was vijf jaar later en we vierden oudejaar bij ons thuis, samen met mijn vriend, toen de telefoon rinkelde, iets voor middernacht. Mijn vader nam op. Hij mompelde iets, kwam naar me toe en stopte de hoorn in mijn hand. 

‘Olivier.’

Ik vroeg me nog net af welke Olivier hij kon bedoelen toen ik de stem al herkende. ‘Bonne année,’ klonk het vrolijk. ‘Tout va bien?’

Ik was verbijsterd, mijn hele lijf ging in lock down. Ik stamelde een paar woorden, dan legde ik neer. Het duurde nog enkele minuten. Dan besefte ik dat ik zijn nummer niet had gevraagd, dat ik zijn adres niet meer had, dat hij voor altijd was verdwenen. 

Het is bijna dertig jaar geleden. Heel soms, zo één keer per jaar, denk ik nog eens aan hem terug. Dan vraag ik me af waar hij is, wat hij doet, hoe hij er nu uitziet. En of hij nog steeds houdt van blauwgroene ogen.

Nog geen reacties

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.